Screening, deelnemer

Intervalcarcinomen

Wat zien screeningsradiologen wel en wat niet, Intervalcarcinoom:

Sinds 1989 beschikt Nederland over een database met betrouwbare, objectieve gegevens over de incidentie, prevalentie, overleving en sterfte van alle gevallen van kanker; de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De database wordt gebruikt voor epidemiologisch onderzoek, klinische studies en voor onderzoek naar de kwaliteit van zorg. De gegevens zijn ook beschikbaar voor het evalueren van screening, oncologische richtlijnen en het ontwikkelen van beleid door zorginstellingen en de overheid. IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland) beheert de database.

Door koppeling tussen NKR en de database van het bevolkingsonderzoek op borstkanker (IBOB) kan vastgesteld worden wie in een bepaalde regio gedurende een bepaalde periode borstkanker blijkt te hebben en meegedaan heeft aan de screening.  De patiënten die in de NKR voorkomen, gescreend zijn maar niet verwezen , behoren tot de groep van patiënten met een intervalcarcinoom.

De periode tussen een screening en het vaststellen van een maligniteit, niet-na-verwijzing, is het interval. Voor het LETB geldt geen tijdsbeperking voor het interval, het LRCB hanteert voor het interval de tijd tussen twee reguliere screeningen, dwz 24 maanden.

Wanneer de mammogrammen van patiënten die borstkanker blijken te hebben en gescreend zijn, maar niet verwezen, door een groep screeningsradiologen retrospectief nogmaals beoordeeld worden, blijkt bij een aantal patiënten 1. geen, 2, een minimale, 3 een duidelijke afwijking te zien te zijn. Groep 3 kan beschouwd worden als de groep waarin de screeningsradiologen de afwijking gemist hebben of niet goed hebben geïnterpreteerd.

Bij evaluatie van intervalcarcinomen worden alleen de intervalcarcinomen voor kwaliteitsbepaling bekeken na een vervolgrondescreening. Enkele redenen hiervoor zijn dat voor een eerste ronde een andere verwijsstrategie geldt dan voor vervolgronde. Bij een eerste ronde is er geen vergelijk met eerder en is er een duidelijk hoger verwijscijfer.

Een benadering in cijfers: 

Bij 100 vrouwen die gescreend zijn in het bevolkingsonderzoek en die volgens de Kankerregistratie mammacarcinoom blijken te hebben wordt bij ongeveer 63 vrouwen mammaca ontdekt via de screening. Van de 37 vrouwen bij wie het mammacarcinoom niet ontdekt wordt door de screening, doen 13 vrouwen om uiteenlopende redenen niet binnen 24 maanden mee aan de screening. Van de 24 vrouwen die dan overblijven is bij ongeveer 8 vrouwen geen enkele afwijking te zien bij screening en is er vaak sprake van een snelgroeiende tumor. Bij 8 vrouwen is heel vaag iets te zien op de plaats waar later het carcinoom gevonden wordt, maar is het soms buitengewoon moeilijk te beslissen of verder onderzoek nodig is. Bij 8 vrouwen wordt een duidelijke afwijking gemist of niet goed geïnterpreteerd. 

Wanneer bekend is hoeveel carcinomen er in een bepaalde periode in een bepaalde regio bij screening gevonden hadden kunnen worden en duidelijk is wat er bij de screening daadwerkelijk wel of niet is gediagnosticeerd, is het gehele screeningsproces voor radiologen te overzien. Deze informatie is uitermate belangrijk, nuttig maar ook noodzakelijk voor de kwaliteit en de benchmarking van een groep screeningsradiologen en de individuele screeningsradioloog